Namen

Bevolkings Registratie

Hallo, ik ben..’ ‘Aangenaam, mijn naam is...’. Het eerste wat je van iemand te weten komt, is meestal hoe hij of zij heet. Namen, en in het bijzonder familienamen, wekken onze interesse, omdat ze zeldzaam zijn of misschien juist heel gewoon, of omdat we ze vreemd of grappig vinden.

Familienamen hebben onmiskenbaar een betekenis. Ooit werden ze gegeven op basis van bepaalde motieven die nu niet altijd even doorzichtig meer zijn. Familienamen weerspiegelen een stukje taal- en cultuurgeschiedenis. Heel vaak verraden ze bovendien onze geografische herkomst of beroep van de voorvaderen.

Taal- en Familienamen

Om identificatie van personen in steeds groter wordende leefgemeenschappen gemakkelijker te maken, werd aan de voornaam een tweede karakterisering toegevoegd die geleidelijk aan een overerfbare naam werd: De familienaam.
Inspiratie haalde men uit verschillende hoeken: Opvallende eigenschappen van de eerste naamdrager, zijn beroep, zijn herkomst.

Omdat onze taal gedurende de afgelopen eeuwen sterk veranderd is en ook de maatschappij van nu niet meer te vergelijken is met die van enkele eeuwen geleden, zijn sommige familienamen nu nog moeilijk te doorgronden. Nochtans zijn de officiële familienamen nog niet zo oud. De Belgische familienamen zijn vastgelegd in 1795, in Nederland gebeurde dat 16 jaar later. Maar de namen zelf kwamen vaak lang daarvoor tot stand.

Tot de officiële registratie bestonden er ontzettend veel varianten. Vooral aan de Vlaamse familienamen is dat nog steeds goed te zien: die zijn namelijk vastgelegd op een ogenblik dat de schrijftaal nog heel wat regionalismen bevatte en er nog geen vaste spellingregels waren. In die tijd schreef men dus vaak op het gehoor, wat ervoor zorgde dat uitspraakvariatie soms ook in de spelling van familienamen bewaard bleef. In Nederland kwam de verplichting om een vaste familienaam te laten registreren pas in 1811. In 1804 was de spelling Siegenbeek ingevoerd, de eerste regelgeving voor de schrijfwijze Om die reden sluit de spelling van de Nederlandse familienamen in het algemeen beter aan bij de spelling van de standaardtaal nu. Het tijdsverschil van amper 15 jaar heeft dus gezorgd voor een archaïsche en heel gevarieerde spelling van de familienamen in Vlaanderen tegenover een meer uniforme en gestandaardiseerde spelling in Nederland. Familienamen die in verband staan met het kuipersberoep, bijvoorbeeld, worden in Vlaanderen geschreven als De Cuyper(e) of Cuypers, in Nederland zie je Kuiper of Kuipers. De Decker en De Backer zijn Vlaams, Dekker en Bakker horen thuis in Nederland.

Veranderingen in de schrijftaal hebben ook een invloed op de familienaam. Visscher veranderde in Visser, van Grotel veranderde in van Grootel. Deze wijzigingen werden niet algemeen toegepast, maar als ze werden toegepast is deze ongeveer gekoppeld aan de wijzigingen van de formele regelingen. Persoonlijke invloeden van de persoon of de ambtenaar zijn ook factoren.

Soorten Familienamen

Familienamen worden traditioneel ingedeeld in vier categorieën: afstammingsnamen, woonplaats- en herkomstnamen, beroepsnamen en eigenschapsnamen. De meeste van de ons bekende namen kunnen we in één van die categorieën onderbrengen.

Afstammingsnamen kunnen verwijzen naar de vader (patroniemen) of de moeder (metroniemen). Peters en Jacobs waren oorspronkelijk kinderen van Peter en Jacob. Wie de bij uitstek Antwerpse familienaam Mariën draagt, heeft die geërfd van een verre overgrootmoeder met de voornaam Marie. Ook andere verwantschapsrelaties zijn mogelijk: denken we maar aan familienamen zoals Devadder, die naar de doopvader verwijst of Nevens en De Neve, die verwijzen naar een neef of kleinzoon of Momber en Mombers die wijzen naar een voogd.

Woon plaats- en herkomstnamen kunnen teruggaan op opvallende landschappelijke elementen, hoevenamen en huisnamen of namen van een streek, een gemeente of een gehucht. Zo kennen we wel meer mensen die Van Swol, Van Gent of Goes heten, of algemener Van den berg(e) of Van den Broek. Interessant is dat namen die verwijzen naar landschappelijke elementen ook geografische patronen vertonen.
Nemen we bijvoorbeeld mede, meers en beemd Deze woorden verwijzen alle ongeveer naar hetzelfde, namelijk een uitgestrekt hooiveld op een waterrijk terrein, dikwijls in het overstromingsgebied van waterlopen. Mede en made komen vooral voor in de poldergebieden in Nederland en België. Meers is Vlaams en beemd is eerder Brabants Limburgs. Al die woorden hebben een aantal familienamen opgeleverd: Van der Meersch, Vermeers(ch), Meers(en) of Van den Bempt en Van den Beemd of Ter Maat, Medema en Miedema.
In de westelijke provincies, waar zoveel dijken het land tegen het water beschermen, vinden we opvallend veel benamingen voor dijken in de familienamen terug. Typisch Hollandse ‘dijknamen’ zijn Hordijk, Buitendijk. Luijendijk en Reedijk.

Beroepsnamen

Tot de beroepsnamen rekenen we zowel de namen die de beoefenaar van het beroep direct benoemen als de namen die dat indirect doen door te verwijzen naar het belangrijkste werktuig of het product van de vakman in kwestie. Ook namen die verwijzen naar ‘bezigheden’ in het algemeen horen hier thuis. In Nederland bevinden Bakker, Visser, Smit en Boer zich in de top tien van meest voorkomende familienamen, alle vier goed herkenbare beroepsnamen. In vele gevallen gaat het echter om beroepen die sinds de industrialisatie niet meer uitgeoefend worden en dan is het wel eens moeilijker om de naam in kwestie thuis te brengen Deze groep vormt werkelijk een afspiegeling van de activiteiten van onze voorouders Wie herkent in de naam Dehandschutter nog iemand die handschoenen naait? De naam is een vervorming van handschoezutter, met daarin het woordje zutter, van het Latijnse sutor, dat ‘schoenmaker’ betekent Ons beperkte historisch en geografisch perspectief zet ons wel vaker op het verkeerde been, Friezen met de familienaam Soepboer hadden geen handelaar in soep in hun voorgeslacht, maar wel een melkboer. Soep gaat namelijk terug op het Friese supe of karnemelk, dat ook elders in het Noorden bekend is. De vooral in de westelijke provincies voorkomende naam Butter, en allerlei varianten als Den Butter, Bouter, Botter, komen uit de familie van de net genoemde melkboer ze verwijzen naar een boterboer of zuivelkoopman. De Overijsselse naam Buter kan ook verwijzen near een kuiper of handelaar in vaat- en kuipwerk. Buut betekent daar immers ‘vat’ De Overijsselse Buter had dus net als zijn streekgenoot Kuper misschien een kuiper in de familie.

De in Brabant en Limburg veel voorkomende namen Deraedemaeker, Dereymaeker, Ramaekers, Raaij makers en andere varianten gaan terug op bet woord rademaker Bedoeld is hier bet uitgestorven beroep van de wagenmaker Hetzelfde beroep komt ook voor in familienamen als Carlier en De Wagemaecker in Vlaanderen en Esser in Limburg. Heel typisch Drents is dan weer Scheper voor schaapsherder .De variant Schaper heeft een veel ruimere verspreiding. De huidige Drentse naamdragers kunnen er echter niet zonder meer prat op gaan een shaapherder in hun voorgeslacht te hebben Naar het schijnt werd hun naam ook vaak gebruikt als aanduiding voor een dom of ietwat eigenaardig persoon

Sommige beroepen zijn verdwenen zoals Smelt afkomstig van de smeltgravers: mensen die zich bezig hielden met het opdelven van de smelt, een vissoort. Aandere namen hebben een nieuwe invulling gekregen zoals de maalder of molenaar. De Muider, Molenaar, Meulenaere, Smolders, Windmolders verwijzen oorspronkelijk naar de man die op een windmolen graan maalde De windmolenaar is verdwenen, de naam leeft verder en het beroep is nog bekend, maar de uitoefenaars gaan niet meer op dezelfde manier te werk als hun voorouders.

Heel opvallend is dat vrijwel alle beroepen of bezigheden die we in de familienamen terugvinden naar mannen verwijzen Een logische uitzondering vormt de naam Matterne. moeder overste, die vooral in Vlaams-Brabant voorkomt.

Eigenschapsnamen

Bijzondere lichamelijke en geestelijke kenmerken en opvallend gedrag hebben onze voorouders sterk geïnspireerd bij de naamgeving. De Lange, De Corte, Roobaert en Crompvoets hadden duidelijk opvallende fysieke hoedanigheden. Maar ook een naam als Vos is een eigenschapsnaam. Of fysieke dan wel geestelijke eigenschappen hier doorslaggevend waren, valt niet te achterhalen: verwijst de naam Vos naar de rode haren van de voorouders of lieten die voorouders zich opmerken door hun sluwheid? Of is het een herkomstnaam omdat een vroeger woonhuis bijvoorbeeld een vos als uithangbord kende?

Om te achterhalen dat Scheveneels (iemand met een scheve hals) en Debremaker of Bollaerts (opschepper) ook eigenschapsnamen zijn, moet je al bijna een verklarend familienamenwoordenboek raadplegen Sommige eigennamen zijn weinig flatterend dat het in oorsprong haast scheldwoorden zijn. De zeldzame West-Vlaamse naam Sloore verwijst naar een slonzige vrouw en de onder meer in Brabant goed vertegenwoordigde naam Bronselaer werd vermoedelijk vooral aan knoeiers toegekend

Vorm

Ook de vormelijke bouwstenen van de familienamen zijn heel boeiend Zij vertellen veel over de geografische herkomst van onze voorouders Wie in het noorden van Nederland komt, ontmoet vele famlienamen op —stra, -ma, -ing en -ink. De meeste Nederlanders zullen Feenstra zonder aarzelen in het noorden situeren. Namen op -stra en -sma komen immers vooral in Friesland voor en in iets mindere mate in Groningen. Deze laatste provincie heeft een bijzondere voorkeur voor -inga en -ema namen, denk maar aan Huizinga en Broekema. Drenthe kiest dan weer voor varianten op -ing en -ingh. Oosting, Hoving en Huizing zijn er bijvoorbeeld veel voorkomende namen. Overijssel Gelderland, en daarbinnen vooral de Achterhoek, heeft een voorkeur voor -ink: Wassink, Besselink, Ruesink, Hassink. Totaal andere vormelijke eigenschappen hebben dan weer de Zeeuwse namen Zo hoor je in Zeeland veel namen op -se Het gaat hier vooral om patroniemen, zoals Willemse. Bijzonder goed vertegenwoordigd in Zeeland zijn de namen Janse en Louwerse. In Limburg eindigen vele patroniemen op –S:Peters en Jacobs werden hierboven al genoemd. We kunnen er vele andere aan toevoegen Simons, Hendriks, Hermans Ook namen op -en als Janssen, Houben en Franssen doen bet hier goed. Typisch voor Zuid-Holland, en vooral voor Rotterdam en omgeving, zijn dan weer namen die ingeleid worden door het lidwoord den: Den Ouden, Den Hartog, Den Boer, Den Uil.

Beroepsnamen gecombineerd met het lidwoord de’ zoals De Cuyper, De Backer en De Temmerman, hoor je vooral in Oost- en West-Vlaanderen. Beroepsnamen zonder lidwoord zoals Bakker en Dekker horen dan weer thuis in bet noorden van het taalgebied. De variant met -s Bekkers en Dekkers is vooral in het zuidoosten van het taalgebied te situeren Familienamen met ‘ten’ of ‘ter’, zoals Ter Mars en Ter Haar, komen dan weer vaak voor in Overijssel en het oosten van Gelderland

Klank

Niets verraadt zozeer onze herkomst als ons accent, onze (min of meer) regionaal gekleurde uitspraak. Ook die regionale uitspraakvariatie vinden we heel vaak in de familienamen weerspiegeld Voorbeelden zijn erin overvloed.
In de gebieden waar onze voorouders bakker zeiden. kwamen familienamen als De Backer en Bakker tot stand, alle met de klinker -a-. De familienamen Bekkers. Beckers vinden we in regio’s waar bakker van oudsher als bekker met de klinker -e-, werd uitgesproken. Dat is voornamelijk het geval in het zuidoosten van ons taalgebied. in de beide provincies Limburg, in Belgisch Antwerpen en Brabant. Het is uiteraard niet zo dat familienaamgrenzen nog steeds samenvallen met de huidige dialectgrenzen. Heel vaak vinden we in de familienamen een oudere taalfase terug In bet geval van de bakker/bekker-tegenstelling blijkt de verspreiding van de familienamen met de klinker -e- bijvoorbeeld veel ruimer dan het -e- gebied op de huidige dialectkaart voor bakker, en dat is zeker niet zonder meer aan migratie van de oorspronkelijke naamdragers toe te schrijven
Dialectische klankvariaties vinden we ook ook in de familienamen die verwijzen naar het beroep van de koster In de Nederlandse dialecten horen we koster(e), kuster, keuster en kuister. We vinden deze varianten stuk voor stuk terug in de Nederlandse familienamen De Coster(e), Roster, Custers. Ceusters, Cuysters .De -o- varianten vinden we sterk geconcentreerd in bet zuidwesten (West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen) en het noordoosten (Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel) van ons taalgebied. De andere varianten zijn vooral in het zuidoosten, en met name in de beide provincies Limburg sterk vertegenwoordigd De andere regio’s vormen - grof gesteld- menggebieden met de verschillende varianten
Een typisch kustdialectverschijnsel is onttroning van -u- tot –i- of-c- (put wordt pit, pet) West-Vlaamse dialect sprekers hebben het nog steeds over een pit. Het verschijnsel van de ontronding vinden we ook in de familienaam Vandepitte terug, een naam die in West-Vlaanderen heel frequent voorkomt. In de Noord-Hollandse familienaam Van den Pitte en de Friese naam Pitstra zien we hetzelfde fenomeen. De ontronding is er niet altijd in de spreektaal bewaard gebleven, maar de familienamen getuigen nog van de vroegere taalsituatie Waar deze ontronding met voorkwam in de dialecten, horen we vooral varianten met put zoals in Vandeputte en Putmans