Persoons registratie in het verleden

Een van de vele vragen, die een beginnend genealoog zich stelt is: Hoever kun je teruggaan in je familiegeschiedenis?

Omdat alleen strikt biologische afstamming wordt erkend, moet elke mythevorming worden uitgebannen. Weg dus met Dido en Áeneas, maar ook met Clovis en Karel de Grote als mythische oervaders.

In de praktijk blijkt dat soms registers in de loop van de tijd verloren zijn gegaan of beschadigd werden door allerlei oorzaken: oorlogen, (natuur)rampen, vocht en insecten. In de registers van de burgerlijke stand, zoals die thans bestaan, worden geboorte, huwelijk en overlijden over het algemeen nauwkeurig opgetekend. Deze burgerlijke stand is eigenlijk pas sinds 1811/1812 in de Napoleontische tijd ontstaan. Vóór die tijd werd er met betrekking tot de gewone burger nauwelijks iets vastgelegd, afgezien dan van de kerkregisters.

Bekend is, dat al in de Romeinse tijd het geschreven woord bestond. Deze schrijfcultuur werd vooral ten behoeve van de kerk en de overheid in stand gehouden. In de tijd na Karel de Grote beperkte die schrijfcultuur zich echter in onze streken hoofdzakelijk tot binnen de kloostermuren. Het is nu niet meer mogelijk na te gaan wat er exact in de vroegste tijden vastgelegd is. De bevolking van het land was dun gezaaid. Eeuwenlang leefde men voor het merendeel in kleine gemeenschappen. Iedereen kende iedereen. Alles lag vast in de kennis van de medemensen, zodat er weinig problemen ontstonden.Zo omstreeks het jaar 1000 begon daar verandering in te komen. De bevolking nam toe in aantal, er kwam meer welvaart, meer handel en meer verkeer, terwijl ook de steden tot ontwikkeling begonnen te komen. Er begon meer behoefte aan geschreven stukken te ontstaan en, vooral in die groeiende steden met hun vaak wisselende bevolking, behoefte aan persoonsregistratie. De burgers hadden bepaalde rechten en vooral ook bepaalde plichten. Men moest daarom echt weten en vastleggen met wie men te doen had. Van oudsher was hierbij het motief het innen van pachten en van belastingen. Het oudst bewaarde burgerboek in ons land is van Kampen en het begint in 1302.

In de tijd dat men nog niet schreef, had men er toch behoefte aan zijn eigendommen te merken. Zoals de ridders hun wapen als kenmerk hadden, gebruikten de gewone luiden, die iets te merken hadden, een z.g. huismerk, dat veelal erfelijk in de familie bleef. In een burgerboek van Tiel uit 1630 werden de "aengenomen en ingekofte" burgers geregistreerd met hun huismerk, soms een nuttige hulp bij ons genealogisch speurwerk.

De oudst bekende doop- en huwelijksregisters zijn van een latere tijd. Er is een huwelijksregister van Deventer, dat begint in 1542. Het oudste doopboek, dat wij kennen is dat van de St-Janskathedraal in 's-Hertogenbosch, dat in 1565 begint, maar wel enkele doopinschrijvingen uit 1558-1562 bevat. En de registratie van begrafenissen is van nog jongere datum. Wat de R.K. kerk betreft werden op het concilie van Trente (1545-1563) algemeen geldende regels voor het aanleggen van doop- en trouwregisters aangenomen Iedere parochie moest een boek hebben, waarin de namen van gehuwden, hun getuigen en de datum en de plaats van het huwelijk werden vastgelegd. Bij dopen moesten ook de peter en de meter worden opgetekend. De R.K. kerk heeft zich vanaf de eerste kerkvergaderingen beziggehouden met huwelijk, doop en begraven. Het doel was in de eerste plaats om "maer alleenlijk op de wil van God almachtig / ende het profijt vande Christelijke kerk aendachtelijk te letten".

In die streken van ons land, waar de hervorming de overhand had, is van die oudste R.K. registers helaas bijna niets bewaard gebleven. Ook weten we niet in hoeverre de registratie al dan niet nauwkeurig was. Maar ook de hervormden, of zoals men destijds zei: de gereformeerden gingen tot registratie over. Na de eerste bepalingen op de Synode van Wezel in 1568 besloot de Provinciale Synode te Dordrecht als volgt:
"Item men een boeck in allen Ghemeynten hebben, daar men in teyckenen sal de namen der kinderen die gebhoren ende ghedoopt worden, met den namen der ouderen ende ghetuigen. Ietem der gheenen die men trouwt ende die men tot lidrmaten der Ghemeynte op neemt. Oock sal een ieghelijck Dienaer opteyckenen de namen der lidtmaten die afsterven, ende die Overicheyt bìdden datse den graefmnaeckeren ofie den gheenen die last daervan hebben, beveelen boek te houden van allen den gheen die afsterven, op dat men altijdst, als het noot doet vereysschen sien can wie daer gestorven is. "

Momenteel beschikken we, wat Holland, Zeeland en West-Brabant betreft, over zon veertig registers uit de beginperiode (1573-1580). Buiten deze genoemde gebieden kent men slechts een tiental uit deze periode. Hierbij moeten we voor ogen houden, dat er verschillende redenen zijn, waardoor de registratie onvolledig is gebleven. Over het algemeen werden alleen de leden van de kerk geregistreerd. De sterfteregistratie is over de gehele linie stiefmoederlijk bedeeld: op veel plaatsen werden overledenen alleen in de begraafboeken opgenomen als aan de begrafenis een plechtigheid in de plaatselijke kerk vooraf was gegaan. Doodgeboren kinderen en ook pasgeborenen, die overleden voor ze gedoopt waren, vielen buiten de registratie. Ook blijken degenen, die de boeken in moesten vullen, soms slordig of nalatig. Zo zijn er allerlei registers verloren gegaan. En bij een controle ín 1633 van de doopboeken van de Evangelisch Lutherse gemeente te Amsterdam werd ontdekt dat in het jaar 1609 het register een tijdlang niet bijgehouden was door de betreffende koster. Deze risico's ontstonden omdat een wettelijk toezicht ontbrak op de naleving van de verstrekte richtlijnen. Wanneer we deze oude registers willen raadplegen, moeten we dat met een zekere voorzichtigheid doen. Het niet vinden van een persoon bijvoorbeeld houdt niet zonder meer in, dat die persoon daar niet in die tijd geleefd heeft.

Er zijn in de praktijk naast de afwezigheid van veel DTB (Doop-, Trouw- en Begraaf) boeken meerdere complicaties, zoals bij voorbeeld de registratie van doopsgezinden en Israëlieten. Taalproblemen zullen zich bij de registers van katholieken en oud-katholieken voordoen, omdat deze veelal in het Latijn zijn opgemaakt Naast de kerkelijke huwelijken werden ook huwelijken voor het gerecht gesloten.

Er bestaan nog heel wat bronnen op allerlei, soms onverwachte, plaatsen. Voorbeelden zijn:

  • rekeningen van de overheid, van kerken en van weeshuizen;
  • grafregisters en grafschriften;
  • diverse belastingregisters, zoals de zoveelste penning, belastingen op trouwen en begraven, boterpacht, hoendergeld, verpondingsregisters, enz.;
  • volkstellingen, lijsten van (weerbare) mannen;
  • (pre)kadastrale gegevens;
  • rechterlijke archieven, protocollen en breukenboeken.

De registratie of protocollering van akten door de burgerlijke overheid is voor het eerst verplicht gesteld voor rechtshandelingen met betrekking tot onroerende goederen.

In Utrecht gebeurde dit ingevolge het Placaat van Karel V van 23 juli 1545. In Holland werd deze registratie ingevoerd op grond van het Placaat van Philips 11 van 9 mei 1560. De andere gewesten volgden in latere jaren. Deze voorschriften werden uitgewerkt in de Ordonnantie van de Polityen Binnen Hollandt, van 1 april 1580. In dit zelfde stuk regelden de Staten van Holland, d.w.z. de burgerlijke overheid en met de Gereformeerde Kerk, er de huwelijksvoltrekking in voor alle onderdanen voor het gewest. Bij Placaat van 30 juli 1624 werd in Holland de protocollering gelast van onder meer de akten van huwelijkse voorwaarden. In de zestiende en zeventiende eeuw regelde en verdedigde de burgerlijke overheid de verschillende zakelijke belangen van de persoon en zijn familie en laat de akten van de betreffende rechtshandelingen bij de daartoe aangewezen autoriteiten deponeren en registreren.