Bronnen

Bevolkings Registratie

De belangrijkste bronnen waarin de overheid gegevens over voorouders heeft vastgelegd, zijn de registers van de burgerlijke stand en de bevolkingsregisters. Om verder terug te gaan in de tijd hebben naast de burgerlijke overheid ook kerkelijke functionarissen gegevens over dopen, trouwen en begraven naast hun ledenlijsten vastgelegd.

 

Verder zijn er registraties rond immigratie en emigratie en verkiezingen. Voorbeelden: borgbrieven of akten van indemniteit, poorterregistraties, staten van landverhuizers, volkstellinggegevens en registres civiques. De belangrijkste bronnen blijven echter de registers van de burgerlijke stand, de bevolkingsregisters en de doop-, trouw-, begraaf- en lidmaten-boeken.

Verder zijn Websites een eenvoudig te raadplegen bron.

Naamsaanneming

Vóór 1811 hadden velen geen vaste familienaam. Men gebruikte een patroniem, een achternaam ontleend aan de voornaam van de vader, die dus veranderde bij elke generatie. Ook was het gebruikelijk een naam te ontlenen aan andere zaken zoals de boerderij of veldnaam waar men woonde; deze namen wijzigden dus bij verhuizing.

Decreten van keizer Napoleon

Het moment dat uw familie een vaste naam aannam kan zijn vastgelegd in de registers van naamsaanneming.
Op grond van decreten van keizer Napoleon uit 1811 en 1813 waren alle inwoners verplicht hun achternamen te laten registreren.
Wie geen vaste achternaam had, moest er één aannemen en daarvan een akte laten opmaken.
In 1825 hadden nog niet alle ingezetenen hieraan voldaan en werd de bevolking nogmaals opgeroepen een vaste achternaam aan te nemen.

Deze akten bevatten:

  • de oude en nieuwe naam van het gezinshoofd
  • de namen van de kinderen.
    en vaak de leeftijden van de kinderen
    Zo’n akte geeft een mooi overzicht van de gezinssamenstelling aan het begin van de burgerlijke stand.
  • De wijze van inschrijving verschilt per gemeente. In sommige registers zijn alleen de gezinnen opgenomen die inderdaad een nieuwe naam aannamen, andere vermeldden alle gezinnen in de betreffende gemeente. De akten vermeldden meestal: de `oude' en `nieuwe' naam van het gezinshoofd; de namen van de kinderen (soms zelfs de kleinkinderen) met hun leeftijd.
Burgerlijke stand

De burgerlijke stand is in Nederland officieel op 1 januari 1811 ingevoerd, maar in de praktijk kan de begindatum van gemeente tot gemeente verschillen.
In veel gemeenten begint de registratie pas in 1812, in delen van Limburg, Zeeuws-Vlaanderen en Noord Brabant begint de registratie al eerder (1796/98).

Het Rijksarchief Limburg bewaart de oudste akte van de Burgerlijke Stand van geheel Nederland.
De Burgerlijke Stand is in de huidige Nederlandse provincie Limburg ingevoerd vanaf 1796, met een voorloper vanaf 1794, op basis van de Franse wet van 20 september 1792.
Het huidige Limburg behoorde toen tot Frankrijk (departement Meuse-Inférieure of Nedermaas).
Op 4 juli 1796 maakte Jean-Guillaume Nyssen als agent municipal van Margraten zijn eerste akte van de Burgerlijke Stand op, die daarmee de oudste akte van de Burgerlijke Stand van geheel Nederland is.
In de rest van Nederland werd de Burgerlijke Stand pas in 1811 ingevoerd.

Door de ambtenaren van de burgerlijke stand werden vier soorten registers aangelegd:

  • register van geboorten;
  • register van huwelijk en echtscheiding en bijlagen;
  • register van huwelijk aan- en afkondigingen (in 1879 werd dit register gesplitst in twee aparte gedeelten);
  • register van overlijden.

Alle akten worden nog steeds in tweevoud opgemaakt. Een exemplaar blijft bij de betreffende gemeente, het andere exemplaar en de in enkelvoud opgemaakte huwelijksbijlagen gaan eerst naar de griffie van de arrondissementsrechtbank. Later wordt dit laatste exemplaar aan het (provinciaal) Rijksarchief overgedragen.


Geboorteakte

De geboorteakte is de belangrijkste van dit viertal. De geboorteakte is het bewijs van iemands bestaan en en legt de officiële spelling van de naam vast. Het bewijs van de afstamming voor het wettige kind wordt hierin vastgelegd. In de geboorteakte staan vermeld de officiële naam, het tijdstip en de datum van geboorte, de geboorteplaats, de naam, het beroep en de woonplaats van de ouders en de naam, het beroep en de woonplaats van de aangever Voor 1934 werden ook twee getuigen vermeld. De geboorteakte van een buitenechtelijk kind bevat meestal alleen de naam van de moeder. Het gebeurde vaak dat een man die een ongehuwde moeder trouwde, haar kind als het zijne erkende. Hij was dan niet altijd de biologische vader, maar werd wel de juridische. Dit wordt in de huwelijksakte vermeld en ook in de kantlijn van de geboorteakte van het kind.

Voor vondelingen wordt een akte van vinding opgemaakt. Degene die een vondeling aantreft, geeft het kind aan bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. De omstandigheden waaronder de vondeling werd aangetroffen, worden uitvoerig beschreven Zo wordt onder andere de kleding genoemd en de leeftijd geschat. De aangever geeft de vondeling ook een voor- en achternaam.


Huwelijksakte

De huwelijksakte is voor uw genealogische onderzoek verreweg het meest interessant. Het is namelijk de meest uitvoerige akte:Allerlei gegevens over bruidegom en bruid, wederzijdse ouders en getuigen komen er in voor. Vermeld worden de naam, de geboorteplaats, de geboortedatum, het beroep en de woonplaats van bruid en bruidegom. Van de wederzijdse ouders en getuigen worden de naam, het beroep en de woonplaats genoemd. Overleden ouders worden eveneens vermeld. Van alle personen wordt bovendien de nationaliteit opgegeven. Om te kunnen trouwen moeten bruid en bruidegom een aantal stukken inleveren bij de ambtenaar de burgerlijke stand, de zogenaamde huwelijksbijlagen. Zij kunnen de volgende stukken bevatten:

Afschrift van de geboorteakte. Trouwlustigen die voor de invoering van de burgerlijke stand (1811) waren geboren, leverden een afschrift van hun doopinschrijving in. Indien het doopregister verloren was gegaan, werd door de kantonrechter een akte van bekendheid van geboorte opgemaakt. Vier getuigen legden daarin een verklaring af over de identiteit van de betrokkene.
Verklaring van toestemming. Bruid en bruidegom hadden tot de Leeftijd van 30 jaar toestemming van de wederzijdse ouders nodig om te mogen trouwen. Als de ouders niet bij de plechtigheid aanwezig waren, werd een schriftelijke toestemming ingeleverd. Waren de ouders overleden, dan moesten afschriften van de overlijdensakten, soms zelfs van de grootouders overlegd worden.
Militiebewijs. De bruidegom bewees hiermee aan zijn militaire verplichtingen voldaan te hebben, hiervan vrijgesteld te zijn of uitgeloot.
Bewijs van onvermogen. Dit werd verstrekt als bruid en bruidegom niet in staat waren de kosten verbonden aan de huwelijkssluiting te betalen.


Huwelijksaan- en afkondigingen

De huwelijksaan- en afkondigingen vermelden de woonplaats van bruid en bruidegom. Wanneer niet bekend is waar een huwelijk is voltrokken, kunt u de plaats van het huwelijk te weten komen door gebruik te maken van deze registers.


Overlijdensakte

De overlijdensakte bevat behalve de naam, het beroep, het geslacht, de leeftijd, de woonplaats, de datum en het tijdstip van overlijden ook de namen van de ouders van de overledene, de namen van de aangevers alsmede de naam, de leeftijd en de geboorteplaats van de huwelijkspartner(s). In oudere overlijdensakten ontbreken vaak de gegevens van de ouders Soms wordt ook het adres vermeld waar de persoon overleed


Registers van naamsaanneming

Bij de invoering van de burgerlijke stand beschikte niet iedereen over een vaste achternaam, dat wil zeggen een naam die ongewijzigd van vader op kinderen overgaat. Bisj decreten van keizer Napoleon van 20 juli 1808 en 18 augustus 1811 werd bevolen dat alle inwoners van het keizerrijk hun namen moesten laten registreren. Wie geen vaste achternaam had, moest er een aannemen en daarvan een akte laten opmaken. Bij Koninklijk Besluit van 8 november 1825 werd nogmaals het aannemen van een vaste achternaam verplicht gesteld. De registers van naamsaanneming zijn veelal bij de akten van de burgerlijke stand ondergebracht en berusten alleen bij gemeente- en streekarchieven.


Nadere toegangen

Om het zoeken in geboorte-, huwelijks- en overlijdensakten te vergemakkelijken zijn er tienjaarlijkse tafels gemaakt. Dit zijn namenklappers die voor elke gemeente afzonderlijk telkens een periode van tien jaar omvatten. De klapper geeft in alfabetische volgorde de volledige namen van geborenen, gehuwden en overledenen. Achter elke naam wordt de datum vermeld en soms ook een aktenummer, dat verwijst naar het betreffende register. Voor de jaren 1811-1812 is een tweejaarlijkse tafel gemaakt Verder zijn vanaf 1813 t/m 1822 en van 1823 tlm 1832 enzovoort t/m 1932 tienjaarlijkse tafels beschikbaar. In enkele tienjaarlijkse tafels zijn de namen voor elk jaar afzonderlijk alfabetisch vermeld. Na 1932 ontbreken veelal de tienjaarlijkse tafels, omdat de wettelijke verplichting tot opstelling ervan toen ontbrak.


Beperkingen

Registers met akten van recente datum zijn in verband met privacybescherming van nog levende personen (nog) niet ter inzage. De akten uit de registers van de burgerlijke stand zijn geheel openbaar tot en met het jaar 1902. Voor akten die dateren uit 1903 en later geldt:

Geboorteakten

1903-1912 worden openbaar in het jaar 2013
1913-1922 worden openbaar in het jaar 2023
1923-1932 worden openbaar in het jaar 2033
1933-1943 worden openbaar in het jaar 2043

Huwelijksakten en huwelijksbijlagen

1903-1912 geheel openbaar
1913-1922 worden openbaar in hetjaar 1997
1923-1932 worden openbaar in het jaar 2007
1933-1943 worden openbaar in het jaar 2043

Overlijdensakten

1903-1943 geheel openbaar


Beschikbaarheid

Geboorte-, huwelijks- en overlijdensakten en de tienjaarlijkse tafels worden door de gemeente in tweevoud opgemaakt. Na overdracht berust één exemplaar bij een gemeente- of streekarchief, het andere bij het (provinciaal) Rijksarchief. De huwelijksbijlagen en de registers met huwelijksaan- en afkondigingen worden in enkelvoud opgemaakt en berusten alleen bij het (provinciaal) Rijksarchief. Door het veelvuldige gebruik en de daardoor optredende slijtage geven de meeste archiefinstellingen geen originele akten meer ter inzage. In plaats daarvan staan op veel studiezalen fotokopieën, microfilms of microfiches in zelfbediening voor u ter beschikking. Gegevens uit niet-openbare registers van de burgerlijke stand zijn in veel gevallen tegen betaling te verkrijgen bij de secretarie van de betreffende gemeente.

Veel achieven zijn gedigitaliseerd en on-line beschikbaar gemaakt: zie https://www.wiewaswie.nl

Bevolkingsregisters

Het bevolkingsregister is een andere genealogische bron van betekenis.. In tegenstelling tot gegevens uit de registers van de burgerlijke stand -vaak een momentopname- treft u in de bevolkingsregisters meer actuele informatie aan. Allerlei wijzigingen worden namelijk in deze registratie verwerkt. Naar aanleiding van de derde algemene volkstelling in 1849 werd besloten om de toen verkregen gegevens blijvend te verzamelen en bij te houden.
De gegevens werden in gebonden registers vastgelegd. Deze waren meestal niet alfabetisch ingericht, maar op straatnaam ingedeeld.
Van elk huis werden de volgende gegevens geregistreerd: de voor- en achternamen van alle bewoners (inclusief dienstboden en knechten), van alle bewoners het geslacht, de geboortedatum en -plaats, de religie, de burgerlijke staat en het beroep, de relatie van het gezinslid tot het gezinshoofd, de huwelijksdatum van het gezinshoofd (ontbreekt vaak), de datum waarop men op een adres is komen wonen, de verhuisdatum en het nieuwe adres en de overlijdensdata van de bewoners (ontbreekt vaak). Er werd slechts één beroep ingevuld, terwijl velen vroeger meerdere middelen van bestaan hadden
Als zich veranderingen voordeden (bijvoorbeeld verhuizingen), werden die ook in het bevolkingsregister genoteerd. Bovendien vertellen de bevolkingsregisters iets over de woonomgeving van uw voorouders.
Pas in 1920 kregen de gemeenten toestemming om de bevolkingsregisters op kaart systeem over te brengen, waardoor mutaties beter konden worden verwerkt: de gezinskaarten. Omdat de gegevens nu per gezin gerangschikt werden, geven de kaarten geen volledig beeld meer van wie er op een bepaald adres woonachtig waren. Dit hiaat werd opgevangen met behulp van woonregisters, die werden geordend naar de volgorde van de adressen en verwijzen naar de gezinskaarten.
In 1938 werd dit systeem ten slotte vervangen door de eerder genoemde persoonskaarten. De gegevens zijn niet altijd correct vermeld, zeker als in een plaats veel verhuizingen plaatsvonden. Ook zijn niet altijd wijzigingen aan de gemeente doorgegeven. U moet altijd ter controle de registers van de burgerlijke stand gebruiken!

In de meeste plaatsen zijn de bevolkingsregisters tot 1939 openbaar. In andere gevallen kunt u op schriftelijk verzoek en tegen betaling bij de afdeling bevolking inlichtingen krijgen. De bevolkingregisters zijn het beste te gebruiken als u kunt beginnen met personen die in het midden van de negentiende eeuw leefden. Terugwerkend naar het heden treft u dan in chronologische volgorde allerlei gegevens aan over uw voorouders Vanuit het heden kunt u op basis van overschrijvingen natuurlijk ook naar het verleden terugwerken. In veel gemeenten zijn de bevolkingsregisters nader toegankelijk gemaakt door een namenindex, waarin de gezinshoofden, ongehuwde personen, waaronder dienstboden en knechten, op alfabetische volgorde vermeld worden met een verwijzing naar het betreffende deel en paginanummer. Soms ontbreekt de namenindex. U kunt dan gebruik maken van verwijzingen naar wijk en huisnummer die u in de akten van de burgerlijke stand hebt aangetroffen Het bevolkingsregister en de gezinskaarten werden in enkelvoud opgemaakt en berusten bij de betreffende gemeente of zijn reeds overgedragen aan een gemeente- of streekarchief.

Kerkelijke registers

Het registreren van geboorten, huwelijken en overlijden was voor 1811 geen taak van de plaatselijke overheid. De verschillende kerkgenootschappen hielden aantekening bij van dopen, huwelijken, begrafenissen en lidmaatschap. Een uitzondering kan gemaakt worden voor de schepenen, die soms huwelijken en overlijdens registerden. Bij de invoering van de burgerlijke stand in 1811 moesten alle kerkelijke gemeenten en parochies de doop-, trouw- en begraafhoeken overdragen aan de burgerlijke overheid. Zij werden namelijk als retroacta of voorlopers van de burgerlijke stand beschouwd en fungeerden als basis voor de inrichting hiervan. In 1919 werd bepaald dat alle ingeleverde registers overgebracht moesten worden naar het Provinciale Rijksarchief. Nadien zijn in de 1oop der jaren de meeste originele doop-, trouw- en begraafhoeken aan gemeente- en streekarchieven teruggegeven. De dtb-boeken werden per kerkelijke gemeente of parochie bijgehouden De manier waarop de gegevens werden vastgelegd, varieert van plaats tot plaats. In veel dorpen is met de dtb-boeken pas in de achttiende eeuw begonnen. Voor veel plaatsen geldt dat er geen doorlopende series bij het Rijksarchief of bij het betreffende gemeente- of streekarchsef aanwezig zijn. Soms komt het voor dat bepaalde dtb-boeken in 1919 niet aan het rijksarchsef zijn overgedragen en nog bij de kerkelïjke gemeenten, parochies of bij het bisdom berusten.


Doopboeken

De rooms-katholieke kerk heeft in 1563 op het concilie van Trente (1545-1563) voor het eerst algemeen geldende regels voor het registreren van doop- en trouwgegevens vastgelegd. Dit gebruik werd later door andere kerkelijke gezindten overgenomen. Pas in de zeventiende eeuw werd het voorschrift van Trente in Noord-Brabant op grote schaal uitgevoerd. Het oudste Noordbrabantse doopboek, dat van de rooms-katholieke parochie Sint-Jan te s-Hertogenbosch, begint in 1565. Ook de gereformeerden gingen al spoedig over tot registratie van doop- en trouw- gegevens. Bovendien schreef de Nationale Synode van Dordrecht in 1574 voor dat elke dominee ook overlijdensgegevens van zijn lidmaten moest registreren. Van enkele joodse gemeenten zijn besnijdenisregisters bewaard.
De doopinschrijvingen bevatten meestal de na(a)m(en) van de dopeling, de namen van de ouders en van de getuigen. Rooms-katholieke doopinschrijvingen zijn in tegenstelling tot de protestantse in het Latijn gesteld. Veel zijn onvolledig Vaak ontbreken de namen van de getuigen en soms zelfs de namen van de ouders of van de dopeling.
De beste aansluiting vanuit de burgerlijke stand met de doopboeken kunt u krijgen met behulp van uittreksels uit doopboeken die voorkomen in de huwelijksbijlagen.
Bij het gebruik van protestantse doopinschrijvingen moet u rekening houden met het feit dat de doop altijd enkele dagen tot enkele weken na de geboorte plaatsvond. Veelvuldig wordt in genealogische literatuur ten onrechte de doopdatum als geboortedatum vermeld.


Trouwboeken

Tot in de zestiende eeuw werd niet steeds kerkelijk getrouwd. Aanvankelijk was het voldoende dat twee partners elkaar trouw beloofden Zon huwelijk was wel clandestien (heimelijk), maar niet ongeldig. Het concilie van Trente bracht daar in 1563 verandering in: Voortaan moesten trouwlustigen hun voornemen in het openbaar laten aankondigen (de huwelijksproclamaties) en ten slotte door de eigen parochiegeestelijke laten inzegenen.
Tegen de besluiten van het concilie van Trente bestond in de Nederlanden veel verzet en bovendien brak al snel de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) uit. Zodoende werd nog in de zeventiende eeuw op de aloude wijze (vrijen en trouw beloven) gehuwd. Wel was in 1580 de politieke ordonnantie afgekondigd, waarin in grote trekken de huwelijksregelingen van Trente door de gereformeerden werden overgenomen. Controle op de naleving bleef echter moeilijk Wie clandestien trouwde, had meer mogelijkheden tot ontrouw (overspel, bigamie, verlating) De Staten-Generaal vaardigden in 1656 het Echtreglernent uit, waarin werd vastgelegd dat het rooms-katholieke huwelijk niet rechtsgeldig was. Wettig was alleen een huwelijk dat werd gesloten voor schepenen of de predikant. De rooms-katholieken trouwden voortaan twee keer: wettig volgens het echtreglement voor schepenen of predikant en kerkelijk voor de parochiegeestelijke In de randgebieden en enclaves die niet onder het bestuur van de Staten-Generaal vielen zijn de schepentrouwboeken pas in het begin van de negentiende eeuw aangelegd. De trouwboeken bevatten de namen van bruid en bruidegom, soms de namen van wederzijdse ouders en getuigen en soms de woonplaatsen van bruid en bruidegom Bij het gebruik van trouwboeken moet u rekening houden met het feit dat de ondertrouw- of trouwregister niet altijd makkelijk van elkaar zijn te onderscheiden en dat in genealogische publikaties de ondertrouw- en trouwdatum geregeld worden verwisseld Van rooms-katholieke voorouders kunt u soms twee à drie trouwdata vinden.


Begraafboeken

De begraafboeken bevatten de begraafdatum, de naam van de overledene, soms de naam van de partner en ouders, soms de kosten voor de begrafenis, het luiden van de klokken en de huur van een doodskleed. Let u wel op het feit dat de data in de begraafboeken geen overlijdensdata zijn. Met behulp van begraafregisters kunt u bij benadering vaststellen wanneer een voorouder is overleden. De begraafregïsters werden meestal door de koster of de doodgraver van de gereformeerde kerk bijgehouden. Rooms-katholieken treft u soms ook in deze begraafboeken aan, omdat zij in het bezit waren gebleven van hun eigen graven in de kerk De rooms-katholieke zïelzorgers en/of hun kost ers hielden zelf begraafregisters bij. Vaak wordt daarin de overlijdensdatum (obiit) genoemd en niet de dag van de uitvaart. Voorafgaande aan de overlijdensregisters van de burgerlijke stand zijn er tussen 1806 en 1811 in bijna alle plaatsen registers van de gekwalificeerde opgemaakt De gekwalificeerde, meestal de secretaris van een gemeente, hield ten behoeve van een successiebelasting een register van overledenen bij.


Lidmatenboeken

Zowel protestantse als rooms-katholieke geestelijken legden registers aan waarin de belijdende lidmaten, communicanten en broederschappen werden geregistreerd. De lidmatenregisters bevatten de datum van de belijdenis of communie, de naam van de lidmaat of de communicant en soms een attestatie van elders, de datum van vertrek en de datum van overlijden. De broederschaplijsten bevatten alleen de voor- en achternamen van leden. De meeste van dit soort registers berusten nog bij de kerkelijke instellingen en de registratie is vaak erg onvolledig.

Migratie

Wanneer u uw voorouders in de achttiende eeuw of eerder uit het oog verliest of niet weet waar zij vandaan kwamen, kunt u naast de (ondertrouw)registers soms gebruik maken van borgbrieven of akten van indemniteit en poorterregistraties om hen weer op het spoor te komen of om hun herkomst te achterhalen. Voorouders die in de negentiende en twintigste eeuw emigreerden kunt u terugvinden met behulp van de staten van landverhuizers.


Borgbrieven (akten van indemniteit)

Aan het einde van de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw groeide het aantal behoeftigen in de Republiek. Plaatselijke overheden trachtten de vestiging van het toenemend aantal minvermogenden van elders tegen te gaan en te reguleren. Zij kostten immers de plaats van vestiging veel geld. Gewestelijke en plaatselijke overheden sloten zich hierbij aan. Zo verbood het dorpsbestuur van Hilvarenbeek in 1643 nieuwkomers huisvesting te verlenen, tenzij een borg van driehonderd gulden werd betaald Personen van elders konden zich op den duur alleen in een bepaalde plaats vestigen, indien zij een verklaring konden overleggen van het kerk- of armbestuur van de plaats van geboorte, waarin dit bestuur zich garant stelde voor het onderhoud van betrokkene te zorgen in het geval deze tot armoede zou komen te vervallen. De arme zou dan niet ten laste komen van de diaconie of het armbestuur van de plaats van vestiging. In de meeste Brabantse plaatsen werden deze verklaringen borgbrieven of ontlastbrieven genoemd. In de borgbrief staan meestal de naam en plaats van de instantie van afgifte, de naam en hoedanigheid van de betrokkene, soms diens leeftijd en de plaats van toekomstige vestiging. In deze plaats werd door het lokale bestuur uitgemaakt of betrokkene mocht blijven. De borgbrief werd in het archief van de wereldlijke of kerkelijke overheid bewaard tot betrokkene deze nodig had om naar elders te vertrekken. In sommige gevallen werden uitgegeven en ingekomen borgbrieven ook in registers opgetekend.


Poorterregistraties

Gelijktijdig met het verlenen van stadsrechten aan de Brabantse steden ontstond het fenomeen poorterschap. Poorters waren zij die het recht hadden om in de stad hun verblijfplaats te houden en te delen in de voorrechten die de stad door zijn stadsrechten had gekregen, bijvoorbeeld geen tolgelden betalen, lid worden van een ambachtsgilde, alleen berecht worden door de stadsrechtbank. Men werd niet zomaar poorter van een stad Met open armen werden mensen ontvangen die een ambacht uitoefenden en financieel gezien onafhankelijk waren. Poorter kon men ook worden door.

  • geboorte uit poorters;
  • huwelijk met een poorter of poorteres;
  • tegen betaling het poortschap kopen.

Tegenover de sociale en economische voordelen stonden enkele verplichtingen. Te denken valt aan het betalen van de stadsbelastingen, het deelnemen aan de beveiliging van de stad en de verplichting om daadwerkelijk in de stad te wonen. Het poorterschap ging verloren als men teveel schulden maakte, zich aan bepaalde misdrijven schuldig maakte of zich elders als poorter liet registreren. De namen van nieuwe poorters werden in de meeste steden vastgelegd in de poorterboeken, in de stadsrekeningen of in de resolutieboeken. Soms kunt u ook poorterinschrijvingen aantreffen in de oud-rechterlijke archieven. In het algemeen bevatten de poorterinschrijvingen de volgende genealogische gegevens familienaam of patroniem van de nieuwe poorter, herkomst (geboorteplaats en/of vorige woonplaats) en het beroep. Gelijktijdig worden namen en de beroepen vermeld van de personen die zich borg stelden voor de nieuwe poorter In poorterboeken wordt als plaats van herkomst vaak de residentie van het bestuur van de hoofdstad van de regio genoemd. Staten van landverhuizers Van oudsher zijn Brabanders naar elders vertrokken om hun geluk te beproeven. Bekend zijn koperslagers en boeren, de zogenaamde teuten, die in de zeventiende en achttiende eeuw naar het Duitse rijk emigreerden Andere migratiestromen waren richting de Hollandse kuststreek, Een eeuw later kwam een veel grotere migrantenstroom op gang. In trek waren toen Zuid-Afrika, Brazilië, Nederlandsch-Indie, Canada en de Verenigde Staten. Het merendeel van deze emigranten vertrok uit economische overwegingen. Vooral boerenfamilies, emigreerden om in de Verenigde Staten een nieuwe toekomst op te bouwen.Velen van hen kwamen terecht in de staten New York, Michigan en Wisconsin. Vanaf 1 januari 1848 waren de gemeenten verplicht jaarlijks aan het Provinciaal Bestuur op te geven welke personen uit hun gemeente waren geëmigreerd. Deze gegevens werden verwerkt in provinciale lijsten die werden opgestuurd naar de minister van Binnenlandse Zaken. Soms worden de emigranten, in de betreffende lijsten als landverhuizers betiteld, met naam en toenaam genoemd, soms worden alleen de totalen per gemeente vermeld In emigratielijsten vindt u gegevens over de achtergrond van de gemigreerde families: naam, leeftijd, beroep, godsdienst en welstand van het gezinshoofd, de gezinssamenstelling (inclusief meereizende dienstboden), reden van vertrek en beoogde plaats van vestiging.

Verkiezingen

In de achttiende en negentiende eeuw zijn door de plaatselijke, provinciale en landelijke overheid talloze lijsten opgesteld om inzicht te krijgen in de sociale en economische achtergrond van de Nederlandse bevolking en om te komen tot een nieuw kies- en belastingstelsel. De meeste achttiende-eeuwse lijsten vinden hun oorsprong in de behoefte van de lokale overheid om te weten wie voor welke belasting kon worden aangeslagen


Volkstellingslijsten

Pas in 1795 werd de eerste landelijke volkstelling in Nederland gehouden, die primair tot doel had de verkiezingen van 1795-1796 mogelijk te maken en om door middel van deze telling te komen tot een indeling van het land in kiesdistricten. Tussen 1807 en 1828 zijn er eveneens tellingen geweest, die echter niet de bedoeling hadden een volledig inzicht te verschaffen in de opbouw van de bevolking. Deze tellingen moesten vooral informatie verstrekken over de economische situatie van ons land en over de aanhang die de verschillende religies genoten De eerste echte volkstelling vond plaats in 1829 en werd daarna in principe elke tien jaar opnieuw gehouden. In de periode 1829-1971 zijn in totaal veertien volkstellingen gehouden. De laatste volkstelling vond in 1971 plaats De eerste telling uit 1795/96 bevat alleen aantallen inwoners De tweede nationale telling van 1807/08 geeft veel meer informatie over de getelde mensen. De volgende gegevens kunt u in de tellingen aantreffen. De naam van het gezinshoofd, de geboorteplaats, datum, leeftijd, godsdienstige gezindte en beroep, of het gezinshoofd wel of geen huispersoneel had, of hij gehuwd was, hoeveel kinderen inwonend waren en gegevens over de (on)roerende goederen die hij bezat. In dit soort lijsten komen wel veel onnauwkeurigheden voor, omdat zij opgemaakt werden op grond van de door de mensen zelfverstrekte gegevens.


Registres civiques

Volgens de Franse constitutie van 1799 konden de mannelijke inwoners van het Franse keizerrijk, voorzover ze 21 jaar oud waren, hun burgerrechten (droits civiques) uitoefenen als zij zich hadden laten inschrijven in de zogeheten burgerregisters, ook wel registres civiques genoemd. Onder de burgerrechten werd voornamelijk het recht verstaan om aan de verkiezingen deel te nemen en om verkozen te worden (het actieve en passieve kiesrecht) Bij keizerlijk decreet van 17 januari 1806 werd gereglementeerd hoe deze registers civiques moesten worden opgesteld en hoe de verkiezingen moesten plaats vinden. Conform deze richtlijnen diende de burgemeester van elke gemeente een lijst op te maken van alle inwoners, die volgens de bovengenoemde normen moesten worden ingeschreven. Deze lijsten werden voor de bevolking twee weken ter inzage gelegd, waarbij men eventueel bezwaar kon maken tegen wel- of niet-plaatsing op de lijst. Vervolgens werden ze doorgestuurd naar de sous-préfect, die ze verifieerde en vervolgens de namen overnam in de regtstres civiques van het arrondissement. De registers bevatten de datum van inschrijving, de voor- en achternaam, het beroep, de geboortedatum en de geboorteplaats van de betrokkene. Beperkingen De gegevens tn de registres civiques zijn niet altijd correct of volledig. Allereerst werd slechts één beroep ingevuld, terwijl toch velen, zoals in die tijd gebruikelijk was, meerdere middelen van bestaan haden In de tweede plaats was de bevolking bevreesd dat de lijsten ook gebruikt zouden worden voor de beruchte conscriptie voor de Napoleontische legers en in sommige gevallen zal men derhalve geprobeerd hebben de inschrijving te ontduiken. Bovendien werden de lijsten opgemaakt in de zomermaanden, een periode waarin sommigen als seizoenarbeiders wegtrokken. De gegevens werden meestal in het Frans vermeld, wat zeker waar het beroepen betreft tot onduidelijkheid aanleiding kan geven.

Websites

Je familienaam googlen is altijd een eerste stap om je familiegeschiedenis op het spoor te komen. Het opzoeken van de verspreiding van je familienaam kan je immers al een indicatie geven van de regio van herkomst van je voorouders. Familieleden hebben in het verleden mogelijk al onderzoek gedaan. Dit helpt je snel op weg en zelfs bij een gevorderd onderzoek kan het hints geven voor nieuwe zijwegen in de stamboom. Er zijn ook gevaren: de kwaliteit van de informatie is vaak goed maar niet altijd en dan is het zeer hardnekkig. Informatie die met de beste bedoelingen aan het web is toevertrouwd blijkt later incorrect te zijn. Wat dan.

Het materiaal is al her gebruikt in een andere web publicatie. Het aanwezig zijn op een bepaalde pagina op de website wordt gebruikt als bewijs voor de correctheid. Het aanwezig zijn van dezelfde fout op twee verschillende websites lijkt vaak het beste bewijs dat de data correct is.

Veel voorkomende fouten:

  • Bij huwelijk of overlijden wordt soms de leeftijd in volle jaren aangegeven (bij jonge kinderen in volle maanden). Vaak kiest men dan voor publicatie een van de twee mogelijke geboortejaren
  • Aangifte of akte datum worden verward bij huwlijk, geboorte - of overlijdensdatum.
  • Doopdatum en geboortedatum worden door elkaargehaald. En bij overlijden de overlijdensdatum, akte datum en begraaf datum.
  • "Overleden na" waarbij bedoeld is dat deze persoon op de aangegeven datum nog in leven was wordt bij copieren veranderd in "overleden in"
  • Dezelfde voor- en achternaam en ongeveer hetzelfde geboortejaar zijn niet altijd dezelfde persoon.