Herkomst van de familie naam Smelt
De naam Smelt is
mogelijk afkomstig van de smeltgravers. Mensen die zich bezig hielden
met het opdelven van de smelt, een vissoort.
Deze visjes werden te voorschijn gehaald door het strand om te ploegen
of om te spitten. Als de in het zand verborgen smelt door de
smeltgraver uit zijn schuilplaats is gewipt tracht de vis te ontkomen
door weer in het zand te verdwijnen. Dit gebeurt zeer snel, zonder een
spoor achter te laten. Deze vis graaft zich niet maar boort zich in het
zand. Het rolronde lichaam leent zich ertoe om er spiraalbewegingen mee
te maken en deze bewegingen drijven het visje snel in het zand en maken
ook de richting, waarin het verdwijnt onberekenbaar.
In het verhaal,
dat Jacobus Bellamy (dichter en criticus, geboren te Vlissingen in 1757
en overleden in 1786) ons in dichtvorm over deze vis naliet, vinden we
het volgende:
Roosje
Daar leeft in Zeeland in het strand
Een kleene ronde visch
Die voor der Zeeuwen kieschen smaak
Een lekker voedsel is.Daar gaat de jeugd met spade en ploeg
Naar 't breede, vlakke strand
En ploegt dan, vol van vrolijkheid
Het dorre, natte strand;Dan grijpt in de opgeploegde voor
Een rappe hand den visch
En dikwijls is de vlugste hand
Te traag bij dezen visch!
De smelten
behoren tot de familie der Ammodytidae (Gr. : Ammos=zand, Duein=zich
verbergen), behorende tot de familie van de slangvissen (Opiidae), orde
van de beenvissen (Teleostei), waarvan er in ons land twee soorten
worden aangetroffen, n.l. de kleine smelt, zandspiering of zandaal
(Ammodytes lancea Varrell; syn. A. tobianus L. ) en de grote smelt of
smelt (Ammodytes lanceolatus). De eerste kan een lengte tot 20 cm
bereiken, de grote smelt heeft als limiet 30 cm. De dieren lijken veel
op elkaar en zijn lange tijd met elkaar verward. Een duidelijk verschil
schijnt te zijn, dat de grote op het ploegschaarbeen (dus niet op de
kaken) twee stompe knobbels heeft, de kleine daarentegen twee scherpe
tanden. De grote heeft daarbij ook meer ronding van het lichaam en een
donkere vlek aan weerszijden van de snuit.
De smelt vindt zijn verspreiding in West-Europa van de Middellandse zee
tot de Oostzee. Een variant kan men vinden aan de Noord-Amerikaanse
Westkust. De kleine smelt is een planktoneter; de grote maakt jacht op
allerlei dieren, ook op zijn naamgenoot. In ons land moet de kleine
smelt of zandspiering de meest voorkomende zijn. Daar het ondiepe water
op het strand tijdens de vloed een geliefde verblijfplaats is, volgt
daar wel uit, dat de "visserij", die bij eb op het droge geschiedt,
alleen daar kansen biedt, waar men vrij brede stranden vindt. In
frankrijk, waar men de smelt nog schijnt te eten, kent men de
zandspiering onder verschillende namen (Equille, Amille, Aloje,
Jolivet, Percesable) en de grote smelt heet daar Lancon of Anguille de
sable. Vroeger werden ze in Nederland ook gegeten maar nu alleen
verwerkt tot vismeel.
De oudst
bekende stamvader
| Met
deze Smelt begint de stammenreeks van de familie Smelt. Er zijn van nog eerdere datum mensen bekend met de naam Smelt, maar een familie relatie kan nog niet worden aangetoond. |
Kinderen:
1. Paul . Hij is geboren circa
1583.
2. n.n. . Hij is geboren circa
1588 [bron: André Idzinga].
Paul Smelt, zoon van n.n. Smelt, geboren
circa 1583.
Kinderen van Paul:
1. Harmen Pouwels . Hij is geboren circa 1608.
2. Stijne Pauls .
3. Berend Pauls .
4. Engbert . Hij is geboren circa 1620.
n.n. Smelt, zoon van n.n. Smelt, geboren
circa 1588 [bron: André Idzinga].
Kind:
1. Jan . Hij is geboren circa 1613.
Met deze Smelt begint deze stamreeks. Er zijn van nog eerdere datum mensen bekend met de naam Smelt, maar een familierelatie kan (nog) niet worden aangetoond.
Voor de mogelijke beschrijving van een vroegere periode kunnen we alleen aansluiten bij een algemene verhandeling omtrent de herkomst van de bewoners van Vriezenveen, waar de oudste bekende voorvaderen hebben gewoond.