Bevolkings Registratie
De belangrijkste bronnen
waarin de overheid gegevens over voorouders heeft vastgelegd, zijn de registers
van de burgerlijke stand en de bevolkingsregisters.
Om verder terug te gaan in de tijd hebben naast de burgerlijke overheid ook
kerkelijke functionarissen gegevens over dopen, trouwen en begraven naast hun
ledenlijsten.
Verder zijn er registraties
rond immigratie en emigratie en verkiezingen. Voorbeelden: borgbrieven of akten
van indemniteit, poorterregistraties, staten van landverhuizers, volkstellinggegevens
en registres civiques. De belangrijkste bronnen blijven echter de registers
van de burgerlijke stand, de bevolkingsregisters en de doop-, trouw-, begraaf-
en lidmaten-boeken.
BURGERLIJKE STAND
De burgerlijke stand is
in Nederland officieel op 1 januari 1811 ingevoerd, maar in de praktijk kan
de begindatum van gemeente tot gemeente verschillen.
In veel gemeenten begint de registratie pas in 1812, in delen van Limburg, Zeeuws-Vlaanderen
en Noord Brabant begint de registratie al eerder (1796/98). Door de ambtenaren
van de burgerlijke stand werden vier soorten registers aangelegd:
Alle akten worden nog steeds in tweevoud opgemaakt. Een exemplaar blijft bij de betreffende gemeente, het andere exemplaar en de in enkelvoud opgemaakte huwelijksbijlagen gaan eerst naar de griffie van de arrondissementsrechtbank. Later wordt dit laatste exemplaar aan het (provinciaal) Rijksarchief overgedragen.
Geboorteakte
De geboorteakte is de belangrijkste van dit viertal. Het bewijs van de afstamming voor het wettige kind wordt hierin vastgelegd. In de geboorteakte staan vermeld de officiële naam, het tijdstip en de datum van geboorte, de geboorteplaats, de naam, het beroep en de woonplaats van de ouders en de naam, het beroep en de woonplaats van de aangever Voor 1934 werden ook twee getuigen vermeld. De geboorteakte van een buitenechtelijk kind bevat meestal alleen de naam van de moeder. Het gebeurde vaak dat een man die een ongehuwde moeder trouwde, haar kind als het zijne erkende. Hij was dan niet altijd de biologische vader, maar werd wel de juridische. Dit wordt in de huwelijksakte vermeld en ook in de kantlijn van de geboorteakte van het kind.
Voor vondelingen wordt een akte van vinding opgemaakt. Degene die een vondeling aantreft, geeft het kind aan bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. De omstandigheden waaronder de vondeling werd aangetroffen, worden uitvoerig beschreven Zo wordt onder andere de kleding genoemd en de leeftijd geschat. De aangever geeft de vondeling ook een voor- en achternaam.
Huwelijksakte
De huwelijksakte is voor uw genealogische onderzoek verreweg het meest interessant. Het is namelijk de meest uitvoerige akte:Allerlei gegevens over bruidegom en bruid, wederzijdse ouders en getuigen komen er in voor. Vermeld worden de naam, de geboorteplaats, de geboortedatum, het beroep en de woonplaats van bruid en bruidegom. Van de wederzijdse ouders en getuigen worden de naam, het beroep en de woonplaats genoemd. Overleden ouders worden eveneens vermeld. Van alle personen wordt bovendien de nationaliteit opgegeven. Om te kunnen trouwen moeten bruid en bruidegom een aantal stukken inleveren bij de ambtenaar de burgerlijke stand, de zogenaamde huwelijksbijlagen. Zij kunnen de volgende stukken bevatten:
Huwelijksaan- en afkondigingen
De huwelijksaan- en afkondigingen vermelden de woonplaats van bruid en bruidegom. Wanneer niet bekend is waar een huwelijk is voltrokken, kunt u de plaats van het huwelijk te weten komen door gebruik te maken van deze registers.
Overlijdensakte
De overlijdensakte bevat behalve de naam, het beroep, het geslacht, de leeftijd, de woonplaats, de datum en het tijdstip van overlijden ook de namen van de ouders van de overledene, de namen van de aangevers alsmede de naam, de leeftijd en de geboorteplaats van de huwelijkspartner(s). In oudere overlijdensakten ontbreken vaak de gegevens van de ouders Soms wordt ook het adres vermeld waar de persoon overleed
Registers van naamsaanneming
Bij de invoering van de burgerlijke stand beschikte niet iedereen over een vaste achternaam, dat wil zeggen een naam die ongewijzigd van vader op kinderen overgaat. Bisj decreten van keizer Napoleon van 20 juli 1808 en 18 augustus 1811 werd bevolen dat alle inwoners van het keizerrijk hun namen moesten laten registreren. Wie geen vaste achternaam had, moest er een aannemen en daarvan een akte laten opmaken. Bij Koninklijk Besluit van 8 november 1825 werd nogmaals het aannemen van een vaste achternaam verplicht gesteld. De registers van naamsaanneming zijn veelal bij de akten van de burgerlijke stand ondergebracht en berusten alleen bij gemeente- en streekarchieven.
Nadere toegangen
Om het zoeken in geboorte-, huwelijks- en overlijdensakten te vergemakkelijken zijn er tienjaarlijkse tafels gemaakt. Dit zijn namenklappers die voor elke gemeente afzonderlijk telkens een periode van tien jaar omvatten. De klapper geeft in alfabetische volgorde de volledige namen van geborenen, gehuwden en overledenen. Achter elke naam wordt de datum vermeld en soms ook een aktenummer, dat verwijst naar het betreffende register. Voor de jaren 1811-1812 is een tweejaarlijkse tafel gemaakt Verder zijn vanaf 1813 t/m 1822 en van 1823 tlm 1832 enzovoort t/m 1932 tienjaarlijkse tafels beschikbaar. In enkele tienjaarlijkse tafels zijn de namen voor elk jaar afzonderlijk alfabetisch vermeld. Na 1932 ontbreken veelal de tienjaarlijkse tafels, omdat de wettelijke verplichting tot opstelling ervan toen ontbrak.
Beperkingen
Registers met akten van recente datum zijn in verband met privacybescherming van nog levende personen (nog) niet ter inzage. De akten uit de registers van de burgerlijke stand zijn geheel openbaar tot en met het jaar 1902. Voor akten die dateren uit 1903 en later geldt:
Geboorteakten
- 1903-1912 worden openbaar in het jaar 2013
- 1913-1922 worden openbaar in het jaar 2023
- 1923-1932 worden openbaar in het jaar 2033
- 1933-1943 worden openbaar in het jaar 2043
Huwelijkakten en huwelijksbijlagen
- 1903-1912 geheel openbaar
- 1913-1922 worden openbaar in hetjaar 1997
- 1923-1932 worden openbaar in het jaar 2007
- 1933-1943 worden openbaar in het jaar 2043
Overlijdensakten
- 1903-1943 geheel openbaar
Beschikbaarheid
Geboorte-, huwelijks- en overlijdensakten en de tienjaarlijkse tafels worden door de gemeente in tweevoud opgemaakt. Na overdracht berust één exemplaar bij een gemeente- of streekarchief, het andere bij het (provinciaal) Rijksarchief. De huwelijksbijlagen en de registers met huwelijksaan- en afkondigingen worden in enkelvoud opgemaakt en berusten alleen bij het (provinciaal) Rijksarchief. Door het veelvuldige gebruik en de daardoor optredende slijtage geven de meeste archiefinstellingen geen originele akten meer ter inzage. In plaats daarvan staan op veel studiezalen fotokopieën, microfilms of microfiches in zelfbediening voor u ter beschikking. Gegevens uit niet-openbare registers van de burgerlijke stand zijn in veel gevallen tegen betaling te verkrijgen bij de secretarie van de betreffende gemeente.
BEVOLKINGSREGISTERS
Het bevolkingsregister is
een andere genealogische bron van betekenis.. In tegenstelling tot gegevens
uit de registers van de burgerlijke stand -vaak een momentopname- treft u in
de bevolkingsregisters meer actuele informatie aan. Allerlei wijzigingen worden
namelijk in deze registratie verwerkt. Naar aanleiding van de derde algemene
volkstelling in 1849 werd besloten om de toen verkregen gegevens blijvend te
verzamelen en bij te houden.
De gegevens werden in gebonden registers vastgelegd. Deze waren meestal niet
alfabetisch ingericht, maar op straatnaam ingedeeld.
Van elk huis werden
de volgende gegevens geregistreerd: de voor- en achternamen van alle bewoners
(inclusief dienstboden en knechten), van alle bewoners het geslacht, de geboortedatum
en -plaats, de religie, de burgerlijke staat en het beroep, de relatie van het
gezinslid tot het gezinshoofd, de huwelijksdatum van het gezinshoofd (ontbreekt
vaak), de datum waarop men op een adres is komen wonen, de verhuisdatum en het
nieuwe adres en de overlijdensdata van de bewoners (ontbreekt vaak). Er werd
slechts één beroep ingevuld, terwijl velen vroeger meerdere middelen van bestaan
hadden
Als zich veranderingen voordeden (bijvoorbeeld verhuizingen), werden die ook
in het bevolkingsregister genoteerd. Bovendien vertellen de bevolkingsregisters
iets over de woonomgeving van uw voorouders.
Pas in 1920 kregen de gemeenten toestemming om de bevolkingsregisters op kaart
systeem over te brengen, waardoor mutaties beter konden worden verwerkt: de
gezinskaarten. Omdat de gegevens nu per gezin gerangschikt werden, geven de
kaarten geen volledig beeld meer van wie er op een bepaald adres woonachtig
waren. Dit hiaat werd opgevangen met behulp van woonregisters, die werden geordend
naar de volgorde van de adressen en verwijzen naar de gezinskaarten.
In 1938 werd dit systeem ten slotte vervangen door de eerder genoemde persoonskaarten.
De gegevens zijn niet altijd correct vermeld, zeker als in een plaats veel verhuizingen
plaatsvonden. Ook zijn niet altijd wijzigingen aan de gemeente doorgegeven.
U moet altijd ter controle de registers van de burgerlijke stand gebruiken!
In de meeste plaatsen zijn de bevolkingsregisters tot 1939 openbaar. In andere gevallen kunt u op schriftelijk verzoek en tegen betaling bij de afdeling bevolking inlichtingen krijgen. De bevolkingregisters zijn het beste te gebruiken als u kunt beginnen met personen die in het midden van de negentiende eeuw leefden. Terugwerkend naar het heden treft u dan in chronologische volgorde allerlei gegevens aan over uw voorouders Vanuit het heden kunt u op basis van overschrijvingen natuurlijk ook naar het verleden terugwerken. In veel gemeenten zijn de bevolkingsregisters nader toegankelijk gemaakt door een namenindex, waarin de gezinshoofden, ongehuwde personen, waaronder dienstboden en knechten, op alfabetische volgorde vermeld worden met een verwijzing naar het betreffende deel en paginanummer. Soms ontbreekt de namenindex. U kunt dan gebruik maken van verwijzingen naar wijk en huisnummer die u in de akten van de burgerlijke stand hebt aangetroffen Het bevolkingsregister en de gezinskaarten werden in enkelvoud opgemaakt en berusten bij de betreffende gemeente of zijn reeds overgedragen aan een gemeente- of streekarchief.
KERKELIJKE REGISTERS VOOR 1811
Het registreren van geboorten, huwelijken en overlijden was voor 1811 geen taak van de plaatselijke overheid. De verschillende kerkgenootschappen hielden aantekening bij van dopen, huwelijken, begrafenissen en lidmaatschap. Een uitzondering kan gemaakt worden voor de schepenen, die soms huwelijken en overlijdens registerden. Bij de invoering van de burgerlijke stand in 1811 moesten alle kerkelijke gemeenten en parochies de doop-, trouw- en begraafhoeken overdragen aan de burgerlijke overheid. Zij werden namelijk als retroacta of voorlopers van de burgerlijke stand beschouwd en fungeerden als basis voor de inrichting hiervan. In 1919 werd bepaald dat alle ingeleverde registers overgebracht moesten worden naar het Provinciale Rijksarchief. Nadien zijn in de 1oop der jaren de meeste originele doop-, trouw- en begraafhoeken aan gemeente- en streekarchieven teruggegeven. De dtb-boeken werden per kerkelijke gemeente of parochie bijgehouden De manier waarop de gegevens werden vastgelegd, varieert van plaats tot plaats. In veel dorpen is met de dtb-boeken pas in de achttiende eeuw begonnen. Voor veel plaatsen geldt dat er geen doorlopende series bij het Rijksarchief of bij het betreffende gemeente- of streekarchsef aanwezig zijn. Soms komt het voor dat bepaalde dtb-boeken in 1919 niet aan het rijksarchsef zijn overgedragen en nog bij de kerkelïjke gemeenten, parochies of bij het bisdom berusten.
Doopboeken
De rooms-katholieke kerk
heeft in 1563 op het concilie van Trente (1545-1563) voor het eerst algemeen
geldende regels voor het registreren van doop- en trouwgegevens vastgelegd.
Dit gebruik werd later door andere kerkelijke gezindten overgenomen. Pas in
de zeventiende eeuw werd het voorschrift van Trente in Noord-Brabant op grote
schaal uitgevoerd. Het oudste Noordbrabantse doopboek, dat van de rooms-katholieke
parochie Sint-Jan te s-Hertogenbosch, begint in 1565. Ook de gereformeerden
gingen al spoedig over tot registratie van doop- en trouw- gegevens. Bovendien
schreef de Nationale Synode van Dordrecht in 1574 voor dat elke dominee ook
overlijdensgegevens van zijn lidmaten moest registreren. Van enkele joodse gemeenten
zijn besnijdenisregisters bewaard.
De doopinschrijvingen bevatten meestal de na(a)m(en) van de dopeling, de namen
van de ouders en van de getuigen. Rooms-katholieke doopinschrijvingen zijn in
tegenstelling tot de protestantse in het Latijn gesteld. Veel zijn onvolledig
Vaak ontbreken de namen van de getuigen en soms zelfs de namen van de ouders
of van de dopeling.
De beste aansluiting vanuit de burgerlijke stand met de doopboeken kunt u krijgen
met behulp van uittreksels uit doopboeken die voorkomen in de huwelijksbijlagen.
Bij het gebruik van protestantse doopinschrijvingen moet u rekening houden met
het feit dat de doop altijd enkele dagen tot enkele weken na de geboorte plaatsvond.
Veelvuldig wordt in genealogische literatuur ten onrechte de doopdatum als geboortedatum
vermeld.
Trouwboeken
Tot in de zestiende eeuw
werd niet steeds kerkelijk getrouwd. Aanvankelijk was het voldoende dat twee
partners elkaar trouw beloofden Zon huwelijk was wel clandestien (heimelijk),
maar niet ongeldig. Het concilie van Trente bracht daar in 1563 verandering
in: Voortaan moesten trouwlustigen hun voornemen in het openbaar laten aankondigen
(de huwelijksproclamaties) en ten slotte door de eigen parochiegeestelijke laten
inzegenen.
Tegen de besluiten van het concilie van Trente bestond in de Nederlanden veel
verzet en bovendien brak al snel de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) uit. Zodoende
werd nog in de zeventiende eeuw op de aloude wijze (vrijen en trouw beloven)
gehuwd. Wel was in 1580 de politieke ordonnantie afgekondigd, waarin in grote
trekken de huwelijksregelingen van Trente door de gereformeerden werden overgenomen.
Controle op de naleving bleef echter moeilijk Wie clandestien trouwde, had meer
mogelijkheden tot ontrouw (overspel, bigamie, verlating) De Staten-Generaal
vaardigden in 1656 het Echtreglernent uit, waarin werd vastgelegd dat het rooms-katholieke
huwelijk niet rechtsgeldig was. Wettig was alleen een huwelijk dat werd gesloten
voor schepenen of de predikant. De rooms-katholieken trouwden voortaan twee
keer: wettig volgens het echtreglement voor schepenen of predikant en kerkelijk
voor de parochiegeestelijke In de randgebieden en enclaves die niet onder het
bestuur van de Staten-Generaal vielen zijn de schepentrouwboeken pas in het
begin van de negentiende eeuw aangelegd. De trouwboeken bevatten de namen van
bruid en bruidegom, soms de namen van wederzijdse ouders en getuigen en soms
de woonplaatsen van bruid en bruidegom Bij het gebruik van trouwboeken moet
u rekening houden met het feit dat de ondertrouw- of trouwregister niet altijd
makkelijk van elkaar zijn te onderscheiden en dat in genealogische publikaties
de ondertrouw- en trouwdatum geregeld worden verwisseld Van rooms-katholieke
voorouders kunt u soms twee à drie trouwdata vinden.
Begraafboeken
De begraafboeken bevatten de begraafdatum, de naam van de overledene, soms de naam van de partner en ouders, soms de kosten voor de begrafenis, het luiden van de klokken en de huur van een doodskleed. Let u wel op het feit dat de data in de begraafboeken geen overlijdensdata zijn. Met behulp van begraafregisters kunt u bij benadering vaststellen wanneer een voorouder is overleden. De begraafregïsters werden meestal door de koster of de doodgraver van de gereformeerde kerk bijgehouden. Rooms-katholieken treft u soms ook in deze begraafboeken aan, omdat zij in het bezit waren gebleven van hun eigen graven in de kerk De rooms-katholieke zïelzorgers en/of hun kost ers hielden zelf begraafregisters bij. Vaak wordt daarin de overlijdensdatum (obiit) genoemd en niet de dag van de uitvaart. Voorafgaande aan de overlijdensregisters van de burgerlijke stand zijn er tussen 1806 en 1811 in bijna alle plaatsen registers van de gekwalificeerde opgemaakt De gekwalificeerde, meestal de secretaris van een gemeente, hield ten behoeve van een successiebelasting een register van overledenen bij.
Lidmatenboeken
Zowel protestantse als rooms-katholieke geestelijken legden registers aan waarin de belijdende lidmaten, communicanten en broederschappen werden geregistreerd. De lidmatenregisters bevatten de datum van de belijdenis of communie, de naam van de lidmaat of de communicant en soms een attestatie van elders, de datum van vertrek en de datum van overlijden. De broederschaplijsten bevatten alleen de voor- en achternamen van leden. De meeste van dit soort registers berusten nog bij de kerkelijke instellingen en de registratie is vaak erg onvolledig.
MIGRATIE
Wanneer u uw voorouders in de achttiende eeuw of eerder uit het oog verliest of niet weet waar zij vandaan kwamen, kunt u naast de (ondertrouw)registers soms gebruik maken van borgbrieven of akten van indemniteit en poorterregistraties om hen weer op het spoor te komen of om hun herkomst te achterhalen. Voorouders die in de negentiende en twintigste eeuw emigreerden kunt u terugvinden met behulp van de staten van landverhuizers.
Borgbrieven (akten van indemniteit)
Aan het einde van de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw groeide het aantal behoeftigen in de Republiek. Plaatselijke overheden trachtten de vestiging van het toenemend aantal minvermogenden van elders tegen te gaan en te reguleren. Zij kostten immers de plaats van vestiging veel geld. Gewestelijke en plaatselijke overheden sloten zich hierbij aan. Zo verbood het dorpsbestuur van Hilvarenbeek in 1643 nieuwkomers huisvesting te verlenen, tenzij een borg van driehonderd gulden werd betaald Personen van elders konden zich op den duur alleen in een bepaalde plaats vestigen, indien zij een verklaring konden overleggen van het kerk- of armbestuur van de plaats van geboorte, waarin dit bestuur zich garant stelde voor het onderhoud van betrokkene te zorgen in het geval deze tot armoede zou komen te vervallen. De arme zou dan niet ten laste komen van de diaconie of het armbestuur van de plaats van vestiging. In de meeste Brabantse plaatsen werden deze verklaringen borgbrieven of ontlastbrieven genoemd. In de borgbrief staan meestal de naam en plaats van de instantie van afgifte, de naam en hoedanigheid van de betrokkene, soms diens leeftijd en de plaats van toekomstige vestiging. In deze plaats werd door het lokale bestuur uitgemaakt of betrokkene mocht blijven. De borgbrief werd in het archief van de wereldlijke of kerkelijke overheid bewaard tot betrokkene deze nodig had om naar elders te vertrekken. In sommige gevallen werden uitgegeven en ingekomen borgbrieven ook in registers opgetekend.
Poorterregistraties
Gelijktijdig met het verlenen van stadsrechten aan de Brabantse steden ontstond het fenomeen poorterschap. Poorters waren zij die het recht hadden om in de stad hun verblijfplaats te houden en te delen in de voorrechten die de stad door zijn stadsrechten had gekregen, bijvoorbeeld geen tolgelden betalen, lid worden van een ambachtsgilde, alleen berecht worden door de stadsrechtbank. Men werd niet zomaar poorter van een stad Met open armen werden mensen ontvangen die een ambacht uitoefenden en financieel gezien onafhankelijk waren. Poorter kon men ook worden door.
Tegenover de sociale en economische voordelen stonden enkele verplichtingen. Te denken valt aan het betalen van de stadsbelastingen, het deelnemen aan de beveiliging van de stad en de verplichting om daadwerkelijk in de stad te wonen. Het poorterschap ging verloren als men teveel schulden maakte, zich aan bepaalde misdrijven schuldig maakte of zich elders als poorter liet registreren. De namen van nieuwe poorters werden in de meeste steden vastgelegd in de poorterboeken, in de stadsrekeningen of in de resolutieboeken. Soms kunt u ook poorterinschrijvingen aantreffen in de oud-rechterlijke archieven. In het algemeen bevatten de poorterinschrijvingen de volgende genealogische gegevens familienaam of patroniem van de nieuwe poorter, herkomst (geboorteplaats en/of vorige woonplaats) en het beroep. Gelijktijdig worden namen en de beroepen vermeld van de personen die zich borg stelden voor de nieuwe poorter In poorterboeken wordt als plaats van herkomst vaak de residentie van het bestuur van de hoofdstad van de regio genoemd. Staten van landverhuizers Van oudsher zijn Brabanders naar elders vertrokken om hun geluk te beproeven. Bekend zijn koperslagers en boeren, de zogenaamde teuten, die in de zeventiende en achttiende eeuw naar het Duitse rijk emigreerden Andere migratiestromen waren richting de Hollandse kuststreek, Een eeuw later kwam een veel grotere migrantenstroom op gang. In trek waren toen Zuid-Afrika, Brazilië, Nederlandsch-Indie, Canada en de Verenigde Staten. Het merendeel van deze emigranten vertrok uit economische overwegingen. Vooral boerenfamilies, emigreerden om in de Verenigde Staten een nieuwe toekomst op te bouwen.Velen van hen kwamen terecht in de staten New York, Michigan en Wisconsin. Vanaf 1 januari 1848 waren de gemeenten verplicht jaarlijks aan het Provinciaal Bestuur op te geven welke personen uit hun gemeente waren geëmigreerd. Deze gegevens werden verwerkt in provinciale lijsten die werden opgestuurd naar de minister van Binnenlandse Zaken. Soms worden de emigranten, in de betreffende lijsten als landverhuizers betiteld, met naam en toenaam genoemd, soms worden alleen de totalen per gemeente vermeld In emigratielijsten vindt u gegevens over de achtergrond van de gemigreerde families: naam, leeftijd, beroep, godsdienst en welstand van het gezinshoofd, de gezinssamenstelling (inclusief meereizende dienstboden), reden van vertrek en beoogde plaats van vestiging.
VERKIEZINGEN
In de achttiende en negentiende eeuw zijn door de plaatselijke, provinciale en landelijke overheid talloze lijsten opgesteld om inzicht te krijgen in de sociale en economische achtergrond van de Nederlandse bevolking en om te komen tot een nieuw kies- en belastingstelsel De meeste achttiende-eeuwse lijsten vinden hun oorsprong in de behoefte van de lokale overheid om te weten wie voor welke belasting kon worden aangeslagen
Volkstellingslijsten
Pas in 1795 werd de eerste landelijke volkstelling in Nederland gehouden, die primair tot doel had de verkiezingen van 1795-1796 mogelijk te maken en om door middel van deze telling te komen tot een indeling van het land in kiesdistricten. Tussen 1807 en 1828 zijn er eveneens tellingen geweest, die echter niet de bedoeling hadden een volledig inzicht te verschaffen in de opbouw van de bevolking. Deze tellingen moesten vooral informatie verstrekken over de economische situatie van ons land en over de aanhang die de verschillende religies genoten De eerste echte volkstelling vond plaats in 1829 en werd daarna in principe elke tien jaar opnieuw gehouden. In de periode 1829-1971 zijn in totaal veertien volkstellingen gehouden. De laatste volkstelling vond in 1971 plaats De eerste telling uit 1795/96 bevat alleen aantallen inwoners De tweede nationale telling van 1807/08 geeft veel meer informatie over de getelde mensen. De volgende gegevens kunt u in de tellingen aantreffen. De naam van het gezinshoofd, de geboorteplaats, datum, leeftijd, godsdienstige gezindte en beroep, of het gezinshoofd wel of geen huispersoneel had, of hij gehuwd was, hoeveel kinderen inwonend waren en gegevens over de (on)roerende goederen die hij bezat. In dit soort lijsten komen wel veel onnauwkeurigheden voor, omdat zij opgemaakt werden op grond van de door de mensen zelfverstrekte gegevens.
Registres civiques
Volgens de Franse constitutie van 1799 konden de mannelijke inwoners van het Franse keizerrijk, voorzover ze 21 jaar oud waren, hun burgerrechten (droits civiques) uitoefenen als zij zich hadden laten inschrijven in de zogeheten burgerregisters, ook wel registres civiques genoemd. Onder de burgerrechten werd voornamelijk het recht verstaan om aan de verkiezingen deel te nemen en om verkozen te worden (het actieve en passieve kiesrecht) Bij keizerlijk decreet van 17 januari 1806 werd gereglementeerd hoe deze registers civiques moesten worden opgesteld en hoe de verkiezingen moesten plaats vinden. Conform deze richtlijnen diende de burgemeester van elke gemeente een lijst op te maken van alle inwoners, die volgens de bovengenoemde normen moesten worden ingeschreven. Deze lijsten werden voor de bevolking twee weken ter inzage gelegd, waarbij men eventueel bezwaar kon maken tegen wel- of niet-plaatsing op de lijst. Vervolgens werden ze doorgestuurd naar de sous-préfect, die ze verifieerde en vervolgens de namen overnam in de regtstres civiques van het arrondissement. De registers bevatten de datum van inschrijving, de voor- en achternaam, het beroep, de geboortedatum en de geboorteplaats van de betrokkene. Beperkingen De gegevens tn de registres civiques zijn niet altijd correct of volledig. Allereerst werd slechts één beroep ingevuld, terwijl toch velen, zoals in die tijd gebruikelijk was, meerdere middelen van bestaan haden In de tweede plaats was de bevolking bevreesd dat de lijsten ook gebruikt zouden worden voor de beruchte conscriptie voor de Napoleontische legers en in sommige gevallen zal men derhalve geprobeerd hebben de inschrijving te ontduiken. Bovendien werden de lijsten opgemaakt in de zomermaanden, een periode waarin sommigen als seizoenarbeiders wegtrokken. De gegevens werden meestal in het Frans vermeld, wat zeker waar het beroepen betreft tot onduidelijkheid aanleiding kan geven.